Total de formas verbales: 52
Imperativos y participios
Tegenwoordig en verleden deelwoord geënsceneerd
Tegenwoordig en verleden deelwoord enscenerend
Tipo ik jij hij/zij/het wij jullie zij
Presens ensceneer ensceneert ensceneert ensceneren ensceneren ensceneren
Imperfect ensceneerde ensceneerde ensceneerde ensceneerden ensceneerden ensceneerden
Toekomende tijd I zal ensceneren zult ensceneren zal ensceneren zullen ensceneren zullen ensceneren zullen ensceneren
Conditionalis I zou ensceneren zou ensceneren zou ensceneren zouden ensceneren zouden ensceneren zouden ensceneren
Perfectum heb geënsceneerd hebt geënsceneerd heeft geënsceneerd hebben geënsceneerd hebben geënsceneerd hebben geënsceneerd
Voltooid verleden tijd had geënsceneerd had geënsceneerd had geënsceneerd hadden geënsceneerd hadden geënsceneerd hadden geënsceneerd
Toekomende tijd II zal geënsceneerd hebben zult geënsceneerd hebben zal geënsceneerd hebben zullen geënsceneerd hebben zullen geënsceneerd hebben zullen geënsceneerd hebben
Conditionalis II zou hebben geënsceneerd zou hebben geënsceneerd zou hebben geënsceneerd zouden hebben geënsceneerd zouden hebben geënsceneerd zouden hebben geënsceneerd
Imperatief - ensceneer - - ensceneert -

Verbos similares a ensceneren

Verbos conjugados anteriores y posteriores a ensceneren

« ensceneren »